Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van OUD GRIEKENLAND. 161

haalde, bezorgde ze hem den naam van eenen Vorst den Godsdienst toegedaan.

Zijn Krijgsvoorfpoed was hij in eene groote maate verfchuldigd aan de Thesfalifche Ruiterbenden , die in zijn Leger ftreeden.

phail lus, Broeder van onomarchus, volgde hem in het bewind onder de Phoceërs op; maakte gebruik van de rijkdommen des Tempels te Delphos, gelijk zijne voorgangers gedaan hadden,om nieuwe fterktens te bouwen, verhoogde nog meerder de foldij der Legerknegten, en vermeerderde daardoor het aantal zijner benden. Hij was in het eerst ongelukkig tegen de Thebaanen; maar de voordeden , die hij op de Locriaanen behaalde , vergoedden dit. De dood egter (tuitte wel ras zijnen loop, waarop een Zoon van onomarchus, phalenius geheeten , het bewind op zich nam. Doch zijn gezag was van korten duur : want hij fneuvelde in den eerften flag door hem geleverd.

De vijandelijkheden middelerwijl dagelijks voortduurende, waren de Thebaanen eerst den Oorlog moede. Want hunne inkomsten ten laatften geheel uitgeput zijnde, vonden zij zich onbekwaam om dien langer uit te houden. De Fhoceërs werden, aan den anderen kant, met naaberouw getroffen dat zij hunne Veldoverftens gevolmagtigd hadden den Tempel van apollo te plunderen. De rekening van al het geld, 't geen zij daaruit gehaald hadden, opgemaakt zijnde, werd de geheele fom bevonden tien duizend Talenten te beloopen.

De Pheniciers, omtrent den zeiven tijd,

II. deel. L ver¬

in.

BOEK. III.

Hoofdft.

Sluiten