is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijbel der natuur.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den VIJFDEN DAG, HoofdsT.VL i»g

eene broeijende warmte, zijn weezen kan verkregen hebben. Ziet hij des Makers verftand in een wel lopend uurwerk; houdt hij voor zeker> dat geval nog gevolg van noodzaaklijke oorzaaken dit ooit kon voortgebragt hebben; en kan hij dan nog beweeren, dat een vogel, die bij geen uurwerk, ten aanziene van het kunstig maakiel, in eenige vergelijking kan komen , dus zoude voortgekomen zijn? T~7T w,1J' v?rlnnnt daarop de holle, dunne en uit de tterkfte dofbedaande fchenkeltjes der vogelen, het geene de vereischte ligtheid aanbragt, om gemaklijk te kunnen vliegen, — de kunstrijke vleugelen en derzelver oogmerken, de voeten deiwatervogelen , de daarten der vogelen, hun

diendig, gelijk een roer aan het fchip, om zich te

beltuuren hunne mechanfche vlugt, hun

onderhoud, en andere bijzonderheden.

De Vogelen zijn veelligt nog lang niet alle bekend , hoewel er veel over gefchreven is, gelijk men in Pfennig 1. c p. 539, en gi reijgers Voorbericht voor J. 1 n. Klein verbeterde en volflandige Historie der Vögel zien kan. En billijk hebben van overlang reeds veele groote mannen 'er hun werk van gemaakt, om ook dit gedeelte der lchcppin? nrtefpeiiren. Aristoteles begon in zijne Hisl. Animal, van het onderfcheid der vogelen te fchrijven. Aliakus en Plinius hebben 'er-veel, dog zonder orde over verzameld. Turner, in Engeland, handelde 1543 over de voornaamfte, door de bovengenoemden befchreven, Hist. Anima/. L. III. ÜELLoNius, een Genees-heer te Parijs, fchreef omtrent 1550 zijne Histoire des Oifeaux. Aldrovandi Orntthologia volgde 1599, in 3 folio deelen: Om nu van de verdienden van Cajus , Colusina, en Nieremeerg , in deezen, niet te fpreeken! Johnston gaf 1650 de Histor. avium. Willoughbeji Ornithologia, daartoe hij op zijne reizen door fcuropa veel voorraad verzameld had, is doorRAii 1676 uitgegeven. In deeze eeuw is de natuurlijke Historie der vogelen zeer opgehelderd, cm lichter gemaakt; vermids men ze ook met hunne natuurlijke kleuren begon uittebcelden. Aluin , Edwarüs N cn

§ 62.