Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 230 )

als of hij nog een flaauwe nafmaak der verloopene zalige tijden genoot, doch het was maar een voorbijvliegend genot. Rondom hem heen werkten ledige koele Geeflen, hij werd het beftendig aandrijven van den geldhonger géwaar, en het blijde ftille genoegen was weg.— Hij beweende zijne Jeugd, en treurde om haar als een Bruidegom, om zijne verbleekte Bruid. Maar dat alles holp niets, klagen durfde hij niet, en zijn weenen veroorzaakte maar verwijtingen.

Eenen enkelen vriend had hij evenwel te Leindorp, die hem geheel verflond, en dien hij alles klaagen konde. Deeze Menfch heette Caspar, en was een Yzerfmelter, eene edele Ziel, vuurig voor den Godsdienft met een hart vol gevoel. De maand November had |iog fchoone Herfstdagen, deswegen gingen Caspar en Stilling 's Zondags namiddags wandelen, en dan vloeijden hunne Zielen in malkander over; bijzonder had Caspar eene vafte overtuiging in zijn gemoed, dat zijn vriend Stilling, van den Hemelfchen Vader tot heel wat anders, als tot Schoolhouden en het Snijders-handwerk, beftemt was; hij kon dat zoo ontegenzeggelijk ftaande houden; dat Stilling

rullig

Sluiten