Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§2 Avond.Gebed

Wie zou üniet vrezen? ö Heer! wie zou uwen naam met pryzen? ö Allerhoogfte! want oy zyt groot, uw naam is groot en Gy kunt het met de daad bewyzen. - Hemel en aarde zyn het uwe; Gy hebt den aardbodem gegrond en wat daar m >s; de hemelen zyn uwer handen werk; wie is als Gy, een magtig God, daar de hemel uw itoel en de aarde de voetbank uwer voeten is; — ini uwe hand ftaat alles, zo dat Gy een ver! terend vuur zyt voor uwe vyanden en een bron des heils voor uwe kinderen.

Uw Alvermogen hebt Gy naar den rykdom uwer

fJrlT^-7' dle maar een «er gering gedeel te der kleine wereld uitmaak, ter uwer verheerlyking ten toon gefpreidt; - myn' Geest hebtGy verbiydt, myn ligchaam gefterkt, en naar be.de myne wezenlyke delen, als mensch bechouwd, vele voorrechten gefchonken, dewelte°n mi=fenVan raedeinenfchen hebben moeOnder myn' arbeid hebt Gy my vervrolykt, door alles wel te laten gelukken; 1 by bet werk van myn beroep heb ik ook voor myne ziel fchat. ten mogen verzamelen, diedoor geen mot of roest verteerd worden, en waar naar de dieven niet graven kunnen; - ja, van uwe hand, als van eenVader door Christus, heb ik meer ontvangen, als ik heb durven verwachten; want, Heer' fchoori Gy myn Vader zyt, ben ik toch een zondaar, dienaanUde roem ontbreekt,, en die buiten Christus verdoemlyk blyft.

Dit denkbeeld, dat ik in en door Christus vrymoedigheid heb, .om tot U te komen, Jokt my uit, om als een' armen zondaar, in de bely. demsmynerzonden,in het affcbuuwvan dezelve, en in het waarachtig vertrouwen van ene genade-

ryke

Sluiten