is toegevoegd aan uw favorieten.

Stichtelijke gedichten en gezangen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEZANGEN. 101

'k Heb u, een volk, veracht in 't oog van Vorst en Staaten;

Geteisterd, en vertreên van vijand en van vrind; Gebannen en verjaagd, door wreede bloed-plakaaten,

Getrokken uit den nood, befchermd, verlost, bemind. De gulde vrijheid klom, uit 't akelige duifter

Der vuige flavernij, kloekmoedig, op den troon: Mijn eeuwig heil-verbond werd, in den grootfien luister,

Eij u ten toon gefpreid; mijn heil u aangeboön.

Ik heb niet flechts maar eens of tweemaal u doen blijken,

Hoe teder dat mijn hart voor u, o Neêrland.' was, Maar jaaren achter een: wil zelf het vonnis ftrijken, Wie floeg u ooit een wond, die mijn' hand niet genas ?

'k Verheugde mij, als ik mijn goedheid u deed fmaaken; ■

Met weerzin nam ik foms de tucht-roê in de hand;

Mijn grootfte blijdfchap was, gelukkig u te maaken;

Wat was 'er meer te doen, aan u, o Nederland ? •

Dan welk een dankbaarheid heb ik hier voor ontvangen?

Waar zijn de vruchten, die ik billijk had verwacht? Niet flechts bleeft ge aan 't genot van mijne gunden hengen,

Maar hebt mij daar in zelfs, o fnoodheid! ftout veracht. Noch roê, noch zegening, fcheen iets te kunnen-baaten;

Denk maar te rug den tijd van drie of vier paar jaar, Toen 't zwalpend pekel - nat, ter dijk - breuk door gelaaten, U bragt, op mijn bevel, in 't vreefclijkst gevaar.

G 3 i Toen