is toegevoegd aan uw favorieten.

Stichtelijke gedichten en gezangen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEZANGEN. 103

Ik ftuittc 's vijands trots, 'k beperkte zijn vermoogen;

Ik riep een trouwen vriend, die u zijn bijftand boodt; Wie merkte niet, dat ik was met uw ramp bewoogen? ■

Wie anders, dan mijn arm, fterkte u in dezen nood?

Dan 't baatte niets. Een nieuwe roê moest weêr gebonden;

Uw ongevoeligheid gaf mij die in de hand; Een roê, zoo zeer gepast, voor uwe fnoode zonden;

Een roê, zoo ongewoon, voor 't tergend Nederland. Een vuile ziekte, die de tederfte ingewanden,

Op 't pijnlijkst grieft en knaagt, gelijk de vaale pest, En 't afgefolterd lijf, in woedend wee, doet branden,

Verfchijnt, op mijn gebod, en fpaart noch dorp, noch vest.

Wie telt de duizenden, door dit mijn zwaard verflagen? •

Wat hart verfmolt, op 't zien van hunne jamm'ren, niet! Door ijslijkheên gedrukt gefchuuwd van buur en maagen,

Daar men hun, raadloos, aan hun zeiven over het.' Doch fchoon ik oorzaak vond mijn ijver op te wekken,

'k Verkoos, nogthans, den weg van goedertierenheid, Mijn flaandcn Engel kreeg bevel om afte trekken;

Ik toonde dat ik was nog tot genaê bereid. •

Maar alles te vergeefs.' ■ 't moest tot het uiterfte koomen;

Ik fcheen het ftraffen, maar gij "t tergen, nog niet moê; Neen, niets was magtig, om uw trotschheid in te toornen,

'k Beproefde 't nogmaals door een andre gcesfel-roê.

G 4 't Gebood