Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7* WAERELDLIEF

Gij volgd derduivlenfpoor, hos zult ge;'tdaa ontvluchten,

Als eens uw wenend oog die waereldrichter ziet? Rampzaligheid is 't lot van allen die God haaten,

't Verfchrikkelijkst wee is reeds voor hunne ziel bereid; Wat zal bij 't fterven , u 't genot der zonden baaten?

Bedenk u Waereldlief, gij gaat naar de eeuwigheid?"' De forfche dood treed aan met fheüe reufen fchreeden,

Hier ziet me er een gelijk een bloem des velds vergaan, Een ander blijft deze aarde wat langer tijd betreden ,

Doch allen wie ze ook zijn bewandlen deeze baan. Zie Jongbloed, onze vriend, hij is reeds afgefneden,

In 'c prillte van zijn jeugd, uw oog ziet hem niet meer; Ook Vrolijkhart , hoe is hun leeftijd hun ontgleden?

Zij roepen uit hun graf,,Keer Waereldlief, ai keer! „Verlaat het dwaaifpoor, daargij uog op voortblijftrennen,

„ Voor u is 't nu nog tijd, maar voor ons is 't te laat • „ WjI toch in 't heden der genae aan God u wennen

„ Eer u zijn wraak, als ons tot gruis aan ftukken flaat. „ Wij fchroomdeo niet den dag des doodsnog ver te Hellen"

„ De weg was, dachten wij, nog naauwlijks half gereisd' „ En zie, de dood kwam ons op 't onverwachtfte vellen'

„ Er had geen uitftel plaats, wij wierden opgdscht. „Keer, Waereldlie£,aikeer.' -moest dit u niet doen denken

Gelijk 'tmij denken deed* dit zal ook zijn mijn lot.

Sluiten