Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

g= 17

XIV. D E

LEEUW,'

HET

PAARD en de HOND. TT ■

-■--let Paard was in groot aanzien bij den Leeuw. Altijd was het aan zijn Hof. — Altijd fpijsde liet aan zijne Tafel, en dikwijls verftrekte het den Leeuw, in de aliergewigtigfte zaaken, tot raadsman.

De Hond zag dit lang met nijdige oogen aan. ~ Eindlijk ging hij naar den Leeuw en zei: het

Paard, ó Koning! is uwe ergfte Vijand.

Naar uw' Troone, naar uw leven ftaat het! —*— Wanneer gij het niet van het Hof verjaagt, zo....

De Leeuw onderzogt de inzichten van den Hond.

De Hond, wierd daar öp van 't Hof verjaagt en het Paard kwam bij den Leeuw in grootef aanzien dan te vooren.

Dikwijls bevordert men iemand zijn gelukj t?anneer men zijn fchade zoekt.

B DE

Sluiten