is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets der Nederduitsche spraakkunst.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

SCHETS der.

meer zwarigheids, e. z. v. Zo gaat de télerl ook weêr vóör het naamwoord, in de volgende Voorbeelden: mocds genoeg; goeds genoeg ; gelds genoeg; verjlands genoeg, e. z. v.

Welke régels moeten in de beheerfching derdadelijke of bedrijvende werk-en deelwoorden in agt genomen worden ?

Bij de beheerfching der bedrijvende werk-en deelwoorden moet men aanmerken, dat elk bedrijvend werkwoord den aanklager van een zelfftandig naamwoord regeert, als: ik bemin zijnen vader; gij eert den koning; hij verdédigt zijn vaderland; wij beléven den tijd; zij vervolgen den vijand. Dit heeft ook plaats in de wéderkérende en in zommige onzijdige werkwoorden , als: de man fchaamde zig; gij verwonderde u; wij bedagten ons; zijnen weg wandelen ; onzen gang gaan; hunnen zin volgen.

Heeft het gebruik van dezen aanklager niet in alle tijden der werkwoorden plaats ?

Hetzelve heeft plaats in al de tijden, als:

lk ver agt den dwaazen hoop.

Ik agtte den man om zijne deugden.

Ik heb den vorst gezien met zijne hovelingen eti

lijfwagten.

ik zal den deugdzaamen man beminnen. Zie den vorst, omjiuuwd van zijnen hof [loet: Op dat ik den vorst moge aan[chouwen. Ik zou den verrader vervolgen. Och mogt ik den dag beléven! Den koning éren; het juk afwerpen.

Bei