Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

♦ ( 12Ö )

lijke werkingen bij den mensch. Hoe bleek en fchraal, hoe boosaartig en onmenschlijk ziet de man uit, welken de nijd heeft vermeesterd. De ziedende gal mengt zig in het bloed; het hart flaat geweldig; de gezigtstrekken verraaden de knaagendfte onrust. — Wat is wel fchrikkelijker en afzlgtiger, dan de afbeelding, welke ons leevendige vernuften van den Nijd leveren? Zij noemen den Nijd een inëetend vergift, welk het lighaam, waarin het gest, verteert: — ja eenigen hebben gelooft, dat de Nijd zijn vergif rondom uitwerpe, en zo zigtbaar uit de oogen gloeje, dat hij zijne partij met de blikken verwonde.

De Medelijdende bedroeft zig over een anders ongeluk; — de edele onmoed kwelt zig over de welvaart des Onwaardigen; maar de Nijd over de welvaart des opregten. — De naijver is misnoegd over zijne eigen gebreken, de nijd over het geluk, dat anderen genieten, — ja de koker zijner pijlen is daar met vuilaartig vergif vervuld, waar hij den bewerker van zijn' eigen roem en geluk ziet; met één woord , de Nijd is het tegen over gefielde van menschlievendheid, de tegenzin in den waaren aart van den Godsdienst, en het bederf van der menfchen gelukzaligheid. Even als opregte en waare mensch-

lie-

Sluiten