Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DEN MENSCH. 19 §• 45-

„ De rigting op handen en voeten is ge„ fchikter , vermits zij het ligchaam beter onderftcund, en onder het ftaan minder „ fpanning van de fpieren vorderd. Van , daar dat een dier op vier pooten Maande [] kan uitrusten , 't geen de Mensch op „ twee beenen ftaande, niet in ftaat is."

i 46.

De zamenftelling van beenderen en fpieren is bij de dieren zo ingerigt , dat deeze ftaande kunnen rusten. Bij den mensch heeft het tegendeel plaats, vermits zijne beftemming geen rust , maar eene geduurige werkzaamheid is. Gedwongen zomtijds rust te zoeken, ft'eld hij het ganfehc zamenftel van zijne fpieren , door legging buiten werkzaamheid : de natuur was bij de rigting der fpieren niet fpaarzaam in het bedeelen van kragten tot ligter beweeging der lédemaatcn, want hoe veel kragt gaat niet bij de beweeging der fpieren verlooren ? maar de natuur was op rigting, aan het oogmerk beantwoordende, e» op evenredigheid bedagt.

S- 47-

Vergelijk eindelijk de uiterfte gedeeltens

van den mensch , zo boven als onder ;

B 2 welk

Sluiten