Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i48 SCHEIKUNDIGE

gende dieren , de flangen, en visfen, de warmtemaat bezit, van de plaatze, alwaar zij zich bevinden. Het is laf zoet, ftolt door de koude, kan met water vermengd worden, fcheidt zich, genoegzaam van zelf, in drie verfchillende zelfftandigheden, te weeten in de witte mij, het rood of kleurend gedeelte, en in de vezelachtige zelfstandigheid. Elke deezer ftoffen van het bloed levert onderfcheidende kenmerken op, te weeten: het loogzoutachtige Van de weij , deszelfs ftrembaarheid door het vuur, door de metaalhalfzuuren enz. welke Hxembaarheid aan de meer innerlijke vereeniging met het zuurbeginfel toetefchrijven is; dezelfde natuur, in het roode vocht, het welk van het eerfte, niet, dan door de tegenwoordigheid van het ijzer) halfzuur, verfchilt; de vrijwillige flolling, en ineenlooping van de vezelachtige zelfftandigheid, en haare ontbindbaarheid in loogzouten. Deeze voornaamfte kenmerken moeten in het geheele bloed befchouwd worden, het welk het eerfte beginfel van alle^ierlijke zelfftandigheden, en de algemeene oorfprong

van

Remmur gerekent te zijn, anders zoude onze natuurlijke warmte aan het vriespunt gelijk zijn; ook bezigen de Franfchen de fchaal van Keaumür even zoo gemeen, zaam, als wij die van Fahrenhbit. Ven.

Sluiten