Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

334 Tegenwoordige Staat

Natuur-

I.YKE HlS- ,

TORiE^enz.

i

Morinen zelve, de gewoonte hadden , om * wanneer de nood zulks vorderde, in het Veen of Moeras, een veilige fchuilplaats te zoeken. Van het een en ander, kunnen wy by julius C/EbAR de bewyzen vinden. Het eerde blykt uit zyn verhaal, hoe de Nerviën, naburen der Morinen , hunne vrouwen , kinderen en die door ouderdom tot den ftryd onbekwaam geoordeeld wierden, in de voor de Romeinen ongenaakbaare Moerasfen verzonden (a~); het laatfte, uit het berigt diens zelfden Schryvers , verhalende, hoe hy laeiönus, mee de keurbenden, die uit Brit* tanniën waren te rug gekomen, tegen de muitende Morinen zond, Oui qunm propter ficct* tatem paludum, guo Je reciperent, non haberent, (quo per/agio fuperiore anno fuerant u/i) omnes fere in poteftatem Labiëni venerunt. Van welke woorden de zin hier op neder komt. „ De welken , als zy, om de droogte i, der Moerasfen, geene wykplaats vonden , „ (van welke toevlucht zy zich 's jaars te voo„ ren bediend hadden,) genoegzaam alle in „ de macht van labicnus zyn gevallen." Uit deze laatfte aantekening kan men insgelyks ifnemen , welk een geringe hoogte of diepte ie Veenen der Morinen, ten dien tyde, moeien gehad hebben. Want anderszins konde jeene zomerdroogte dezelven, voor een krygsicir, toeganglyk gemaakt hebben.

Dit weinige heb ik gemeend, over het woord Tarvanna, te moeten opmerken. Intusfchen chry ft schrik lus dat die woord zo veel zoude

O) De Bello Gallico, Lib. //. Cap. ]6. §. 5. {b) De Bello Gallico, Lib. 1F. Cap. 38. f. 2.

Sluiten