Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zy vraagen naar de Hollandtfchegevangeoen.

En eifchen dac men ze hun terftondt overlevere.

*3ö Het LEVEN van den

perhooft te fpreeken. Dat werdt toegeftaan. Het Opperhooft der Engelfchen, genoemt Abraham Hodge, bragt hen in zyn huis, een boeren fchuur. Zy vraagden hem, of daar Hollanders onder hen waaren? Hy bekende, dat 'er een man was met twee dochters, maar zeide , dat zyne vrou, drie weeken geleden, was geftorven: daar by voegende, dat de man met zyne dochters de rivier wel drie mylen op waaren gevaaren, uit vreeze voor d aankoomende fcheepen, en dat ze met hunne vrye wil by hen waaren gebleven. Doch men verftondt daarna, dat men ze met geweldt de rivier hadt opgebraght; op dat ze met zouden befpieden waar d'Engelfchen hunne koopmanfehappen begroeven. De Hollanders zeiden, dat de Generaal de Ruiter , die hen hadt gezonden, die gevangenen terftondt wou hebben, het zy met vriendtfehap of met geweldt: en dat, ten dien einde, vier oorlogsjcheepen opquaamen: dat ze terftondt moften zenden om ze te haaien. Dat men aU leen^ om die gevangenen quam, en dat men t, indien ze die niet overgaven, op hen zou oerhaalen, en alles aantaften en bederven. tfodge gaf goede woorden, beloofde de gehangenen vry te leveren, en zondt terftondt een kano om ze te rug te brengen. Men aadt hen, vyf dagen geleden, aan een' Koning der Negeren gezonden, die hen weigerde op d'eerfte boodtfehap te laaten volgen maar daarna, door een tweeden poft bewoo' KB, liet hy ze gaan. De Hollanders, met Je floep tot den avondt vergeefs gewacht iebbende, voeren weêr te rugh naar de vier

fchee»

Sluiten