Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34. DE STRUIKROOVERS van KALABRIEN,

camille.

En is my ontfnapt, doch het berouwd my niet.

de kapitein.

Ik beken zelfs dat dit gefprek my u meer en meer doet beminnen.. Dit zweer ik, op myn ftruikroovers woord.

■ camille.

Deeze verzekering is zeer vleijendc; maar hoe zal ik u kunnen gelooven, na de wreede behandeling, dien ik van u heb moeten ondergaan?

d e kapitein.

Waar over beklaagt gy u?

camille.

Zedert myn aankomst in dit verblyf bewoon ik dit hok, gy koomt my flechts éénmaal daags zien , het overige van den dag ben ik alleen, aan myn verdriet ten prooy gegeeven; hebt gy my nog wel eens aan uwen tafel toegelaten?

de kapitein.

Ik beken dat ik dit verwyt verdien. Schryf evenwel deeze geltrengheid alleen aan u zelve toe. Gy bekeerd u, wel nu, myne fchoone, van dit oogenblik zyt gy vry in dit oord, en wy zullen te zamen het Avondmaal houden. (Camille naderende') Welaan, maar geen tegenftand meer.

camille.

Heb ik my niet duidelyk genoeg verklaard?

de kapitein.

Spreek, ik wil uit uwe mond hooren, dat myn' geluk niet langer uitgefteld zal worden.

camille.

Is het dan door woorden dat eene vrouw haare nederlaag blyken doet? Laat ons eeten , en geloof dat myn gedrag u zal overtuigen, dat ik geene andere begeerte heb dan die het u zal behaagen my voortefchryven,

. I de

Sluiten