Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240 Van den Doop.

ze woorden: wie gelooft en gedoopt word, die zal zalig worden: dat is: het Geloof maakt de ferlbon alleen waerdig , om het heilzame, Goddelyke Water met nut te ontfangen: want om dat zulks, hier in de woorden, by en met het Water voorgedragen en beloofd word , zoo kan het niet andets ontfangen worden, dan dat vvy zulks van harte gelooven; zonder het geloof is het onnut, of het in zich zelf al een Goddelyke onwaerdeerlyke fchat is. Daarom vermag het eenige woord Cwie daar gelooft) zoo veel, dat het uitfluit en verwerpt alle werken die wy 'doen konKen , met dien inzicht, om door dezelve de zaligheid te verkrygen en te verdienen, want het is aldus onwederroepelyk beiloten, wat geen Geloof is, dat doed niets tot de zaligheid, ontfangt ook niets.

Maar zeggen zy, als zy plegen: Is doch de Doop ook zelf een werk? en gy zegt: de werken gelden niets ter zaligheit: waar blyft dan het Geloof ? Ja, onze werken doen geenfins iets ter zaligheid: verder zoo is de Doop niet ons, maar Gods werk, alzoo de Doop, na 't boven gezeide, verre is te onderfcheiden van der Badenmeesters

Doope)

Sluiten