is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man, uitgegeeven door het departement van Stad en Lande, behoorende tot de Maatschappy tot nut van't algemeen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C na )

MELDING WAARDIGE MILDAADIGHEID V(W eerf LANDMAN.

Het ispryzenswaardig, als iemand in zyn beroep naarftig en getrouw arbeidt, om voor zich en zyn huisgezin den kost te verdienen. — 't is verftandig en braaf, als iemands werk gezegend wordt, dat hy voor volgende dagen en jaaren ook iets zoekt te beipaaren en over te winnen. —— fa 't is roemwaardig, wanneer iemand, langs geoorloofde wegen, en door eerlyke middelen, fchatten vergadert voor zich en zyne nakoomelingen: maar 't is inzonderheid edel en voortreflyk, zo iemand by dit alles ook lust en vergenoegen "vindt, om overeenkoomftig zyn vermogen of rykdom, uit zuivere en onbaatzuchtige beginfelen, wél te doen, en door een welgeplaatst medelyden goede gaven uitdeelt aan zyn arme en behoeftige natuurgenooten. 2£ulks maakt ons beminnenswaardig by God en Menfchen.

Ik verblyd my, dat 'er in ons Vaderland nog zulke mildaadige menfchen gevonden worden, van wien men zeggen kan, dat zy een hart bezitten, 'twelk vatbaar is'voor medelyden; en die tevens vermaak vinden, om arme en behoeftige menfchen door hunne mededeelzaamheid te onderfteunen, te verkwikken, en te verblyden.

Onder anderen kan ik tot eer van eenen Landman', (wiens naam my niet geoorloofd is te noemen) melden, dat hy een edelmoedige daad aan zyn behoeftige natuurgenooten verricht heeft.

't Was in den ftrengen Winter van het Jaar 1795, in welk jaargetyde de leevensmiddelen, onder armen en minvermogenden veel al fchaars zyn; dat deeze Man weekelyks een aanzienlyk gedeelte brood liet bakken, en het*zelve des Saturdags op een bettemden tyd aan zülken uitdeelde, welke het, naar zyne gedachten, 't noodigst hadden. ■ En dit heeft hy zoo lang volgehouden, tot dat hy om de zeventien mudden rogge in brood had weggegeeven.— ook is my bericht, dat die zelfde man voorneemens is, zoo ras de omftandigheden der armen of minvermogenden zulks vorderen, om andermaal zyne milde hand open te doen, hen te onderfteunen en te verblyden.

Te Groningen, by W. ZÜIDEMA. 1797.