Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE H O E N D E R J

fcen uit haare handen vallen, fpringt van haaren ftoel op, en ziet over de itruiken, langs de geheele rivier heên; haar hart klopt : ach! zegt zij, mijn beste vriend! mijn waarde man! Wanneer zult gij toch tc rug komen ! zij begeeft zich weder aan het werk, en herftelt de maazen , welken zij had laaten vallen, weldra denkt zij weder aan het onuitfpreeklijk genoegen, dat zij fmaaken zal, wanneer zij haare hoenders, kakelende, het graan of de kruimpjens brood uit haare hand zal zien komen pikken, of hunne eijeren in haare mandjens leggen; en door aanhoudend klokken de jonge kiekens, in de Itruiken afgedwaald, rondom zich zamelen. Ziet zo, roept zij in verrukking uit, „ ziet zo, bewooners van het gindfche „ dorp!dagt gij dan dat uwe hoenders mij nooit £ dan van verre den dag moesten aankondigen! „ ö weldra zal ook een jonge haan zijne item ■>■> óp het kleine eilandjen van theone doen * n°oi'en. Gij hebt in den vos eenen loozen A 2 », vijand

t

Sluiten