Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VISSCHERES. 215

zij niet langer blootgefteld om als de fpin te kwijnen, die menigmaalen langen tijd moctwagten naar vliegen, die rondom haar wriemelen. Van dit oogenblik week de holöogigc honger van haare woning,en iederen dagfchonkhaarde beek een zoo overvloedig als gemaklijk voedfel.

„ o Hemelfche Venus!" riep zij uit op eenen tijd, dat zij gezeten was aan den oever der zee, en de zoete uitwaasfemingen inademde welkende aangenaame lente-windjens haar van het vaste land toezonden, „o Befchermgodin! gij, die u „ verwaardigd hebt mij het leven te bewaaren! „ hoe zal ik u naar eisch kunnen danken „ voor de ontelbaare weldaaden, welken uwe „ milde hand over de bedrukte nina heeft „ uitgeftort! o, hier op deezen ronden en uit,, fteekenden fteen wil ik u een altaar ftigten,

dat behaaglijk opgefierd zal weezen; ik zal 'er „ u op ten offer brengen de fchoonfte fchelpen „ en de geurigfte bloemen. Och! flaa dan een „ gunftig oog op deeze gefchcnken, hoe gering „ zij ook in uwe oogen moogsn weezen. Gij O 4 n weet,

Sluiten