Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M. A. DE RUYTER.

ACHTSTE BOEK.

w anneer de voorfpoed lacht, bedekken lauwerkranfen

Den fchedel van den Held; doch.aan den Vorst der Franfehen

Behaagt in zulk een maat de ruyters heldenmoed ,

Beproefd in 't worftelperk van feilen tegenfpoed,

Dat hij hem blijk op blijk van mildheid doet ontvangen.

De Heilig Michaël, die Orleans belangen

Befchermd had, naar 't begrip van 't waanziek Bijgeloof,

Klom hoog in achting op bij 't volk; zelfs werd ten hoov'

Een Ridderorde tot zijne eeuwige eer gedraagen.

De Koning, ten bewijs van Vorstlijk welbehaagen,

Gevonden in den Held, die 't hoogst in zeeroem klom,

Hangt door d'estrades hem dat Ridderteken om.

Ach! denkt hij, daar hij 't goud der Ridder-eer ziet glooren, Mijn ziel laat zo veel glans u niet te fterk bekooren , Op dat gij onder 't wigt der glorie niet verzinkt. Herdenk, mijn dankbaar hart, dat, waar deeze orde blinkt,

In

Sluiten