Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vond. Maria Stuarr,bl.i5.

Vondel(Poëzv, Deel II, bl. 3°7-

BI. 625.

BandI, Seite 189. u. f. w.

Deenfche Wvss. Deel H, bl. i28, enz.

8112

8 THEORIE DER.

Spreekt de profaïst van milt en lever; de poëet noemt:

dees de winckel van het Hoet

Zn die het vuilnisvat des lyfs. ——

Zegt het profa zeer eenvouwdig : het was den acht en twintigfien oSlober; zo fpreekt de poëzy :

De wynmaant fchreef twee min els 't derde kruis.

Zegt de profaïst: vyf en veertig jaaren en vyf maanden; de dichter uit zich:

jfaermaenden zeventien, en elf olympiaden.

Daar nu het nederig profa de taal aller menfchen is , (§. 1.) heeft men billyk goedgevonden , om de verhevene poëzy de taal der goden te noemen. Zulks deed den Grieken zeggen: De flcrvelingen heeten dit voorwerp alzo ; maar dus noemen het de goden. Men leeze hieromtrent Ramlers Einleitung in die fchönen Wisfenfchaften.

De fchimper Holberg, wel is waar , uit zich volgenderwyze : „ Het eenig onderfcheid tus„ fchen eenen poëet en bedelaar is, dat de eene „ in vaerzen en de andere in ongebonden ftyl „ bedelt. Men zegt voor een fpreekwoord: de ,, taal der poëeten is de taal der goden; maar de ,, taal der advocaaten mogt beter dien naam voe„ ren, want hunne woorden kosten geld, en

geen derzelven valt vruchteloos ter aarde.

„ De

Sluiten