Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERDUITSCHE POEZY. 31

ffttf naakte dichten is eene ligle uitfpanning. Want wieü valt het moeijelyk, te uiten all' wat hem voor den geest komt? Of zucht en klaagt de treurige, lagcht en fchertst de vrolyke, niet zonder opzet en met vermaak ? Men behoeft flechts zyne gewaarwordingen en luimen uit te ftorten , om dichter in abftracto te worden, en tevens eene zoete verlustiging te genieten, die den geest ontfpant en de gezondheid fterkt. Zo natuurlyk het dus van den cenen kant is, dat de liefde den louteren dichter vormt; naardien de minnaar zyne verliefde kwellingen door het dichten fust en verjaagt : even zo natuurlyk is het van de andere zyde , dat vorften , ftaatsmannen, kooplieden , fchoolmeesters, apothekers, en andere lieden, welken geduurige zorgen of bezigheden bcflommeren, tot dichten genoopt worden, en door dit ftreelend bedryf hunne afgefloofde geesten verpoozen.

De Hollandfche Spectator getuigt alzo van den penfionaris Cats, dat hy, als een met bezigheden overlaaden ftaatsman, ,, de poëzy alleen gebruikt i „ heeft tot verlustiging, en tot verkwikking van ' ,, zynen afgefloofden geest". Dus zingt Vondel van den heer Diedrik Buifero:

Want oiuttr dezen last, hem opgedraigen, fpant j Zyn geest by wylen uil, als hy belust te dichten, 1 Bi fchouders van het pak der fiaetzorgh vil verlichten,

leel I, bl. 2y.

'oëzy, Deel I. bl. 291.

Sluiten