Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERDUITSCHE POËZY. 39

„fe." Het wezen der poëzy brengt de

logenkraam dus met zich, naardien zy van de logenachtige heidenen haaren oorfprongk rekent; want vooral onder de Grieken en Romeinen vond men groote poëctiiche logenaars. (§. 16.)

De poëzy is gewoon zulke bekende en handtastelyke logens te verhaalen, dat men 'er geenszins door misleid word; men ergert zich niet daarover, maar lagcht 'er Hechts om: zy ftoiïeert zo bevallig, dat men haare verdichtfelen gaarne hoort:

Hes veel poëeten abel Om leeren met genev.eht, ver zierden meenge fabel.

Het allooi der poëzy is dat der rekenpenningen gelyk; men fpeelt met beiden, maar men kan 'er geen brood voor koopen: en handel en wandel lyden 'er geen fchade by, indien men die drieduits munt alleenlyk kent, en houd voor het gene zy is.

Het liegen is ondertusfehen geene volftrekt noodzaaklyke eigenfehap der poëzy en der dichters , en dichtönderwerpen zyn flechts veehyds logens. Onder verlichte en befchaafde volkeren, vooral ook onder ons, vind men poëzy die de waarheid zelve is, en dichters die geen fchaduw van fictie of verdichting vertoonen. (§. 20.) Wyl echter het leezen van, en wroeten in, logenachtige ftoffen, gevaarlyk en befmettclyk is: zo zyn de, poëeten ook der befchaafdfte natiën, en van C 4 ous

Vondel,Poë zy, Deel. II. bl. 666.

Sluiten