Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 26 )

zal u gaarne het Schouwtnoneelder Natuur van la P'u~ the leenen; door dat fchoone boek zult gij op eene gemakkelijke wijze onderrigt worden. — Maar, nog eene vraag, Mijnheer! zeide ka rel: hoe kan die zon die gij zegt, dat negentien millioenen mijlen van ons af is, ons zoo veel warmte en licht geven? — Dat is gewis een groot wonderwerk van Gods almagt, was het antwoord; en men zal dat niet gemakkelijk ten volle doorgronden. — Ik benbüjde, zeide ik, dat alles te weten; maar de zon fchijnt nogians zoo klein te wezen, Mijnheer! — Hoe verder iets van ons af is, kreeg ik ten antwoord, hoe kleiner het fchijnt: vergelijk hierbij eenen vlieger, die hoog in de lucht, veel kleiner fchijnt dan op den grond. En dit is ook een bewijs dat de zon verwonderlijk groot moec wezen, om dat zij verbazend ver van ons af is.

64. Maar de maan is ook zeer groot, zeide ka» rul. — Ja, hernam de Heer bartlet, doch zij is veel kleiner dan de aarde; er zijn Herren, die veel grooter zijn, fchoou dit zoo niet toefchijnt, omdat die -Herren almede verder van ons afzijn dan de maan. — En is de maan ook een vurige kloot, Mijnheer! vroeg ik: en het antwoord was: neen, de maan is een donker ligchaam; zij ontvangt haar licht van de zon. — Al die Herren, die wij zien, hebben hare namen, geloof ik, zeide karel. — Niet allen, antwoordde onze goede HeerBARTLET; men heeft aan zomraige namen gegeven, om die des te beter te onderfcheiden. De llerrekunde, k areltje! leert ons eerst regt zien, hoe groot onze Schepper is, die alles gemaakt heeft. Aanfchouw die ondergaande zon, kan er wel eenig menfchelijk kunstwerk bij halen?

65. God is wel goed, zeide ik, dat Hij diefchoone zon voor ons gefchppen heeft. — Zonderbaar, hernam de heer bartlet, zoude alles in eene droevige duisternis begraven liggen. Zij verzorgt ons het licht, en een aangename warmte aan het aardrijk, zij

does

Sluiten