Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. j

ontgonnen, die den naam van de guldene eeuw aan dien ouden tijd hebben gegeven.

Onder inachus (*), die de eerfte JEgyptifche volkplanting geleidde , nam deze groote verandering eenen aanvang (i) , welke onder zijnen zoon phoroneds voordgong (2) en in een korten tijd aan Argolis, Arcadie en de nabuurige gewesten eene gansch nieuwe gedaante gaf (3).

Omtrend drie eeuwen laater kwamen cecrops , cadmus en danaus (f) in Attica , Beotie en Argolis met nieuwe volkplarttingen uit JEgypte en Phosnicie: en nu ontflooten de werkzaamheid en kunften de ftranden van Peloponnefus en gaven door haare vorderingen , als het ware , nieuwe volkeren aan het menschdom.

Een gedeelte der wilden had zich intusfchen naar het gebergte of naar de Noordlyke gedeelten van Griekenland begeven , en ontrustte de opkomende maatfchappijen , welke echter hunne woestheid met dapperheid te keer gingen, en hun dwongen , om zich aan wetten te onderwerpen , of zich elders , onder andere luchtltreeken, met hunne ellendige onafhanglijkheid te gaan vermaaken.

De

(*) J. voor C. 1970. CO Freret, def. de la Cfcror. p. 275. Paris 1758. (2) Pauf. L. 2, c. 15, p. 145. Clem. Alex. cohort, ad Gent. p. 84. edit. Potteri Oxon. 1715. Tatian. Orat. ad Gra;c. p. 131. edit. Worth. Oxon. 170c. (3) Pauf. L. 8, c. 3, p. 601. (f) cecrops in 16.57 voor C. cadmus in 1594. en danaus in 158Ö.

A s

inachus en

PHuRONEUS.

Sluiten