Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. 329

«n onvoorzichtigheid , welke aan zijne jeugd of aan zijnen lediggang ontglipt waren, verdweenen in gelegenheden, welke nadenken en behendigheid vorderden. Alsdan vereenigde hij voorzichtigheid met werkzaamheid (1), en ontrukten hem de vermaaken niet één oogenblik , het geen zijn roem' of zijn belang vor. derde.

Zijne ij delheid zou vroeg of laat in overheerfching ontaard zijn, want het was onmogelijk. dat een mensch, die boven anderen zoo ver uitmuntede, en op wien de heerschzucht zulk eener indruk maakte, niet eindelijk gehoorzaamheic zou hebben afgevorderd , na de bewoiiderinj reeds te hebben uitgeput. Hij was ook ge duurende zijn ganfche leeven verdacht bij d voornaamhe burgers, waar van dezen zijne be kwaamheden , genen zijne buitenfpoonghe den (2) vreesden ; van het volk , het gee hem niet kon misfen, werd hij beurtelings aar gebeden , gevreesd en gehaat f3); en daar c gevoelens, wier voorwerp hij was, in gewe dige driften overgingen, was het met hui] trekkingen van vreugde of van woede (4I waarmede de Atheners hem tot eerambt* verhieven, ten dood veroordeelden, te rug ri pen, en andermaal verbanden.

Wanneer hij eens van het fpreekgeftoelte 1

hei

(j) Plut. in Alcib. c. au. Nep. in Alcib. c. 1. C*1 Tliuci. L. 6 , c. iF. Plut. in Alab. 1». iy8. C3) Ariftoph. in Ri V. 1472. (4) Ju»in. L- 5 > c' *•

X 5

II. DEEL. III.AFDEEL.

I

L

i

e k )-

j' n

le 1-

Sluiten