Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l8 NEDERLANDSCIIE

wyze, beantwoord wierdt. De kanoes, die van voeren rond waren , en agter fcherp toeliepen , waren gemaakt uit dén (tuk zeer fraai rood hout, Zy vloogéh bykans door het water. In ieder waren drie of vier man.

Terwyl zy den Hollander naderden, fprongen de Indiaanen in zee, en zwommen na het fchip, hebbende de handen vol Kokosnooren en Ubaswortelen, welke zy verruilden voor fpykers en kraaien'; dingen, op welke zy zeer gefield waren. Vyf kokosnooten gaven zy voor een fpyker, of voor een klein fnoértje kraaien. De Indiaanen kwamen eindelyk in zo grooteu getale aan boord, dat men naauwlyks wist, werwaarts men zich zou wenden „of keeren.

Mkllenvyl wierdt de floep uitgezonden , na het ander Eiland , zynde het klemde , om te vemeemen, of by hetzelve geene beter ankerplaats ware. Terwyl de (loep langs de kust roeide, wierdt zy omfingeld van twaalf kanoes, van het kleine Eiland, waarby, van tyd tot tyd , zich andere voegden. De lieden, welke in dezelve zaten , hadden een zeer verwoed voorkoomen, en groote Hokken in hunne handen, van zeer hard hout, met eene fcherpe punt, en in vuur hard gemaakt.

In den waan van de floep te zullen bemagtigen, klampten zy haar aan boord. De onzen, zich dus genoodzaakt ziende om tegenftand te bieden, deeden drie fchooten onder den hoop. In 't eerst lachten de Indiaanen hier mede, en hielden het voor kinderfpel. Doch vermids de laatde fchoot eenen hunner dwars door het lichaam hadt getroffen, kwamen zyne makkers, hem ziende bezwyken, op hem af, om hem te helpen. Zo dra zy vernamen, dat hy gekwetst was ,

roei-

Sluiten