Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140 M A « A Z IJ » TA»

„ leven in de eenzaamheid, dan in den omgang „ met, en bij de menfchen. Die dat fielden, „ gingen in woeftijnen wonen, en kregen eenen „ grooten naam van wegen hunne vroomheid. „ Zij vonden daar veel toeloops, en bouwden 'er „ groote huizen , die men naderhand Kloosters „ noemde, en de daar in wonende mannen kre„ gen den naam van Munniken. Zulke zamen„ woningen begon men eerst in het Oosten ta ., maken, en naderhand vond dat ook ingang in „ Europa."

„ Maar de bewoners van het eene klooster zich „ willende uitgeven voor vroomer, dan die vap „ het andere: verzon men dit naderhand door „ kleederen aan te duiden, en wel door de Kap. „ pen, even gelijk men de foldaten van het eene „ Regiment, door de montering , onderfcheidt „ van het andere. Pruiken en hoeden mogten „ zij, zoo was de kloosterwet, niet dragen; dat „ was te wereldsch: maar wel Kappen; die trok „ men over den kalen of half gefchoren kop. „ Zij mogen niet bedelen, ten zij zij, drie volle „ dagen, gebrek geleden hebben, en dan nog „ de giften niet aannemen met de handen ; zij „ flaan hunne Kap neer, van het hoofd op den „ rug, en ontvangendaar in de aalmoezen. Doch », de Kappen van eiken Klooster Munnik moesten „ van een gelijk fatfoen zijn, en dus de eere „ munnik zoo nederig als de ander: dit wilde

„ men

Sluiten