Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afdeeling. 13

Gaarne was ik bij mijne Ipeelmakkers, en wist hen, door eigen verfierde fprookjes, te vermaaken. Wat ik had, gaf ik hun ten beste. Ook was mijn hart medelijdend, en dikwijls overvielen mij treurige aandoeningen: Dan bezogt ik, in ffihe, de graven mijner afgtttorverie vrienden, om, bij de doodige denkbeelden van een kerkhof, eenige lucht te fcheppen. Dus wisfelde het fombere en het heldere, in mijnen geest, geduurig elkandren af; en van daar is het natuurlijk te verklaaren, hoe ik, in 't vervolg, dan eens vrolijke, en dan eens klaagliederen dichten konde.

Zeer vroeg verkreeg ik fmaak in boeken, en las met greetigheid, bijzonder de oudduitfche Romans en Riddergefchiedenisfen. Reeds toen behaagde mij ook de ftoute toon van lüther om dat dezelve, met mijnen en mijner medeburgeren fmaak, zoo hartlijk overéénkwam: En

nooit vergeet Jik het gevoelig oogenblik,

één der aangenaamlte van mijn leven, toen,

in 't jsar 175; , een vriend van mijn' vader, de Heer van maltiz, ons de vijf eerste Gezangen van den Mesfias bragt, en mij de treffende êfifode (*) van sammj, joèLcs bekoki voorlas.

(*) In het tweede gezang, 1 ■

Sluiten