Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 231 )

onder dat punt, voerende de hand allengs , met alle voorzichtigheid , tusfehen die twee deelen, gelijk op §. 927 is aangetoond.

951. Indien de moederkoek, door de geheele uitgeftrektheid van deszelfs rand, met de baarmoeder overal even vast vereenigd is, en het midden 'er van is afgefcheiden, trekt men dat gedeelte, door middel van de ftreng, na zich, waardoor het min, of meer uitpuilt, en zich als van zelf aanbied, om met de uiteinden der vingeren omvat te kunnen worden. Wanneer men op deze wijze niet mogt flaagen, tragt men een gedeelte van den rand des moederkoeks los te maaken, ten einde 'er de hand onder heen te kunnen voeren; of, men doorboort dit lighaam, ter zijde van den wortel der navelftreng, met den top van eenen vinger , welke men tusfehen de baarmoeder en den moederkoek poogt in te brengen , om die zelfftandigheid in derzelver geheel van dat ingewand af te fchciden. Door deze handelwijze is het ons, in een diergelijk geval, volkoomen gelukt, de moederkoek los te maaken, na zulks te vergeefs op eene andere wijze beproefd te hebben.

952. Alvoorens eenige poogingen in het werk te ftellen om den moederkoek af te haaien, moet men naauwkeurig acht geven, of dezelve wel volkoomen los is: want, van eene fponsachtige natuur, en ligt fe verfcheuren zijnde, zoude het nog onafgefchei den gedeelte in de baarmoeder agterblijven, cn tot.dezelfde toevallen aanleiding kunnen

P 4 ge-

Over de voorzorg welke men, /óór het afiiaalen van üenmoedercoek.inachtnoet nenen.

Sluiten