Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34-8 Grondbeginzelen

fpronglijk ligchaam gevoegd is , welke ah lengs, door de wrijving der deelen, ontboiir den wordt; terwijl de dood het oorfprong. lijk ligchaam zelf verftoort. Alhoewel dit gegrond ware, zou men toch in allen gevalle moeten erkennen, dat de ziel over deze bijgevoegde ftoffe even zoo veel magt heeft, als over het oorfpronglijk ligchaam. Want een volwasfen man heeft, tenminften, even zoo veel magt over zijne leden, als een kind over de zijne ; en evenwel moet in de leden des eerften een groot deel bijgevoegde en vreemde ftoffe zijn, die niet is in de leden van dit laatfte. En de ziel en ligchaam van een volwasfen man werken wederzijds , ten minften, zoo veel op eikanderen , als de ziel en het ligchaam van een kind. Gevolglijk, de verëeniging tusfchen onze ziel cn die onderftelde vreemde ftoffe is zoo naauw en vast, als die tusfchen de ziel en haar ondertelde oorfpronglijk ligchaam. Maar, wij vinden, dat de eerfte verëeniging kan ontbonden worden, zonder nadeel van de ziel. Dienvolgends kan de verëeniging van de ziel met haar onderfteld oorfpronglijk ligchaam insgelijks ontbonden worden, zonder gevaar voor het in wezen blijven der ziel.

449<

Sluiten