is toegevoegd aan uw favorieten.

Palmbladen, of Uitgelezene oostersche vertellingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERTELLINGEN. 163

yrugten zelfs aan die geenen, welke met eene ftoute hand fteenen tegen hem flingert.

D E

REfs

NAAR.

B A B U L, O &

Maauwelijks fchemerden de eerfte ftralen van dendag, wanneer ik-mij op mijnen Ezel zette en het pad infloeg, dat naa den grooten weg van Babijïonleid. „öhoe aangenaam, nepjk u;t, hoe verge.noegd en bevallig dwalen mijne oogen op deze nieuwe heuvels om! Hoe veel bloemen op deze velden! met welke fterkende zo,ete geuren, doorftrooinen Zij de lugt! Eene fchoone laan van boomera as mijn weg, in wier fchaduwe mijn Ezel en ik; rusten kannen, wanneer het ons behaagt. Hoe helder is de hemel! Hoe fchoon de dag! Hoe zuiver de lugt, die ik ademe! Ik behoef mij n.et te haaften : want met mijn goed last dier kom ik nog ter goeder uur deez' dag te Babijlon aan.

Dus fprak ik en was dronken van vreugde ■ iic 2ag mijnen Ezel met genoegen aan en ureèlde hem met mijne hand, wanneer ik onverw^gt een' geruisen agter mij hoorde en toen ijs, mijne öo^en k s' dasr