Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedenkingen over het verraad van Judas. 29

van den beginne wist, wie hem verraden zou — Joan.. VI: 64 — dat hy echter judas onder zyne Discipelen opneemt, — zeker niet (altans niet by die wetenfchap, welke hy vooraf van zyne gruweldaad hadj met datzelfde oogmerk, waarmede hy het overig elftal afzonderde tot zyne beftendige volgelingen —; dat jesus dien discipel, wiens inborst hy kende, daardoor in de gelegenheid fielt, om zyn verrader te worden. — Heeft judas door deze daad zyn oordeel verzwaard? — ls hy daardoor te ongelukkiger, te rampzaliger geworden? Hoevee! moet men dan niet van die fchuld aan de omllandig. heden, aan de aanleidingen, aan de gelegenheden, welke zich aanboden, toefchry^en?

Ik zou, indedaad, te weinig doorzicht in den lazer veronderltellen, indien ik niet dacht, dat elk terftond, met my, gevoelt, waarheen deze bedenkingen ons brengen. — En 't is j'uist het gewicht derzelve, 't welk my noopt, om deze zaak eens meer opzettelyk te onderhoeken. —

Hoe kwam judas onder het twaalftal der Discipelen? — Laaten wy van dit punt, met ons onderzoek, uitgaan. — Lucas en marcus geven er ons berigt van. De eerstgenoemde zegt in ?yn Euangelie, hoofdfl. VI: 13. — Als het dag geworden was, riep hy zyne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hun, die hy ook Apostelen noemde, ünder dezelve was judas. — Deze keuze en afzondering van die

twaalf

Sluiten