Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tyfus, in den volfien nadruk, een groot man , enz. 235

ver zeg, van Hem, die fchepper, Heer, en Gebieder, der natuur is, van God, de bron van al. Ie goed, — mild bedeeld met uitftekende vermo. gens van geest, by dezen zynen gelukkigen aanleg, met het wél aanwenden der goede gelegenheid, welken de voordeliger omftandigheden, waarin hy geplaatst wierd, hem gaven, of anders, met kloekmoedige overwinning der zwarigheden en hindernisfen, die minder gunftige omftandigheden hem in den weg Helden, het in de kennis van deze of gene, of van meerdere goede en nuttige wetenfchappen, door onophoudlyk aangewenden yver en onveimoeiden arbeid, zo verre bragt, dat hy 't gebied dier wetenfchappen omvat, en boven zyne tydgenooten, in 't bezit eener zich wyd uitftr'ekkende kennis, en grondige geleerdheid, uitmunt, — verdient gewis, en draagt, met recht, en naar waarde, den naam eens groeten mans.

Zodanig een was, — naar de gewyde gefchiedenis, — koning salomon. (*) — Dien naam verdienen zulke Ecrwaardigen der Oudheid, die, als wyzen, of als wonderen van kunde, de gedachtenis hunner volken, fchoon nu reed's zedert eeuwen van den aardbodem verdweenen, vereeuwigd hebben, en welken wy, uit de onfehatbaare overblyffels des oudheid, kennen, of wier nagelatene gefchrifteri wy hoogfehatten en bewonde-

ren,

(*) 1 Kon. III. IV. 30—34.

Sluiten