Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BOEK. 233

„ grootfche taal niet gebruiken, zó ik U niet

onbehoorlyk neerflagtig zage. Gy weet wel „ dat Gy over bondgenooten alleen niet

heerscht, doch ik verklaar U, dat Gy van ,, de twee deelen der waereld, te land en te „ zee, niet zo ver als nu , maar zo ver Gy „ wilt, volkomen eener meester zyt. En 'er is „ tegenwoordig geen Perfer nog ander volk die

U, met zo eene macht zeilende, hinderpaa. „ len Hellen kan, zo dat het nut van dat ver„ mogen by dat van huis en land, waar van „ Gy als iets groots beroofd meent te zyn,

niet eens te vergelyken zy; het is niet be„ hoorlyk dat dit verlies U zo fmartelyk valt, „ maar 't verloorene moet ten minften, hier „ by vergeleeken, als een gering cieraad Uwer

rykdom , over het hoofd gezien worden; ,, vast weetende, dat de vryheid eens gehand„ haaft en gered , die dingen gemaklyk weder „ krygt, daar het geen wy eens aan anderen „ onderhoorig bezitten, gaarne minder word. „ Laaten wy niet beneden onze Vaders zyn, „ die niet flechts met moeite behielden,'t geen

zy van anderen kreegen, maar zelf uit het „ gevaar gered, het ons ter hand ftelden, en „ het is grooter fchandc te verliezen 't geen 9, wy hebben, dan in het verkrygen van nieuP 5 55 we

Sluiten