Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C u )

held zou zijn geweeft !) zeide hem, dat hij — om ooit enig Bi*, mfcript aan het licnt te geven — nu leeds I;on beginnen enkel met het zelve aftefchrijyen — dat hij hem, als hij daar toe lufr. lad, wel enig Manufcnpt zou bezorgen om het op zijn gemak af te fchrijven. — Mijn Held , die zo'bang voor het werken is , als de hond voor den Kneppel, geraakte op dat voorilel heel wat in de maling. — Hij zweeg. .— Ilij begreep — natn hijïièl. aan, zou hij gedurig van dien Profejfor gevraagd worden, hoe verre hij

al gevorderd was. — Dat kon er niet door.' _ En floeg hij

het af, dan liep zijn lieve naam van Geleerden gevaar. Hij

wift er —. eindelijk — wat op. — Hij betuigde volkomen bereid re zijn om het aanbod van zijnen Pro/c/jbr aanrenemen

Hij verklaarde niet genoeg dankbaar te kunnen 'zijn voor de uitnemende genegenheid van den Profcffbrl ■— Maar (*) liet er

de Geleerde op volgen , ,, Ik duryé het nog niet wel ondernemen. „ Ik vrees voor mijne onbekwaamheid. Ik wil er wel alles aan „ opofferen om kunde te verfamelen: maar — of ik wel immer „ kundigheden genoeg zal kunnen verkrijgen om een Manufcript met „ noten (die er hij behoren) in het licht te geven , wie zou dat

„ zonder pedant te zijn durven denken. En , als ik eens begon,

„ 't welk al fchielijk wereldkundig zou worden, en mijne krachten

fchoten tekort, dan had men alle reden om mij te befpotten."

Althans s- mijn Geleerde oordeelde het raadfaamft eerft nog eens zijne krachten aan de Jltidien te bepioeven eer hij zulk een werk dorft ondernemen. ——.

I y. Maar —, Leze? ! ik begin te bemerken, dat mij de tijd te kort zou fchieten, indien ik u alles van miinen Geleerden wilde mededelen. Ik zal u daarom nog maar een voornaam ftuk onder het oog brengen. .— Mijn Geleerde is een grote Vriend van long flapen. Nu ! dat.is ook wel zo gezond, dan nacht aan nacht te leébraken! Evenwel — de Geleerde Man, meent men, moet geen lange flaper zijn. Mijn held weet dit een en ander zeer wel te fchikken. Zo dra toch zijn Hospes met het gehele huisgezin na bed is, gaat hij ook zijn lieve ruit nemen. Maar — op dac hij den naam zou hebben van — tot diep in den Nacht te arbeiden, laat Hij zich altoos nog eerft twee (_ï) vetfche kaarfen brengen. Die kaarfen zijn 's morgens bijna geheel verbrand. Misfchien denkt Gij, dat Hij, als hij gaat flapen, die laat uitbranden. Neen l dan zou men het geheim wel fchielijk weten. Wat dan ! Hij die toch niets anders te doen heeft, heeft er wat op uitgevonden. Zo dra zijn Hospes of de ineid (wie ze dan ook gebracht lieert; vertrokken is en hij berekenen kan , dat zij na bed zijn, fnijdt hij de kaarfen bijna aan het eind at, fteekt die korte ondereinden aan.— blufcht ze ten etrften uit, terwijl hjj de lange boveneinden verbergt om die 's morgens onzichtbaar te maken. — Dan gaat hij ook flapen. — Tantum.

C*) Die — Maaren — die betekenen je wat! —<— (fj Mijn heer brandt ei' lm» te gelijk; om toch goed te kunnen zien. ,

Dit VERTOOG zal alië Dingsdag a i± Stuiver worden Uitgegeven, en alomme te bekomen zyn in ds Nederlandfche Stedent

Sluiten