is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche spectator.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 87 }

Biet grieft. Juist deze beginfels zijn genoegfaam ore den Man zonder Godsdienst, daar hij geen redelijk Ver. maak, noch enig voordeel van het vloeken hebben kan, te overtuigen, dat hij het vloeken nalaLen moet. ——

En — wat die genen betreft, welke een' Godsdienst erkennen — fchoon zij denzelven zo geheel naauw niet nemen — deze hebben alle redeneii — zo zij redenen willen laten gelden —■ om het vloeken natelaten. ———

Al ware toch het vioeken geen kwaad, dan nog leert de ondervinding, dat de ergfte vloekers doorgaans in alles de godlooste — de beestacbtigfte menfchen

zijn. Dit is dan ook van den vloeker te wachten,

dat hij — meer en meer omtrend goed en kwaad onverfclullig — zich allerleie euveldaden zal veroorloven. En — welke gevolgen volgens den Godsdienst — hoe ruim men dien ook ftellen moge — zal het vloeken voor den mensch niet hebben! ——.

Al verviel de vloeker niet eindelijk tot allerleis boosheden, dit evenwel is zeker, dat hij gefiaiig vloekende de zijnen tot vloekers maakt, en daar door da aanleidende oorzaak wordt, dat zij — met de meelis vloekers — tot de ergfte zonden vervallen.

Wij willen deze menfchen, die toch een' Godsdienst erkennen, ook eens in overweging geven, of de Godsdienst — hoe ruim men dien ook neemt •—• het vloeken voorfchrijft. Waar was ooit een' mensch van enigen Godsdienst, wien zijn Godsdienst het vloeken veroarloofde? —- En — geldt de Christelijke Godsdienst—' deze veroordeelt ten fterkften het vloeken, en al wat er betrekking op heeft. ——

Doch behalven dat: — Zelfs ook den mensch zotf, der Godsdienst — willen wij nog dit in overweging

gegeven hebben. Daar de branffle — de eerlijkjle

menfchen den bedaarden — den reaelijken mensch, dis niet vloekt — het meest hoogachten, is de vraag, of dit niet genoeg is om het vloeken, waar in noch vermaak, noch voordeel gelegen is, natelaten? —— Of is het braafheid onverfchillig te zijn omtrend de achting van menfchen — van de braafjle menfchen! ——— f

Laat ons nog ene vraag doen! — Welke mensch heeft meer reden om in zijne laatlle ogenblikken zijn hofofd gerust neerteleggen, hij die vloekt, of het vloe* ktn nalaat? Wat er ook van den Godsdienst zij; —— dit zal niemand, die het vloeken foliuwde, zich te ver.