Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEDACHTEN. 31

j, eene andere fubftantie , die den Phyfiognomist bezig houdt , naamelyk , de hoofd4, fchedel, of in 't gemeen de beenderen. „ Ook van deeze is de gefteldheid der mus4, kelen afhanglyk. Zoude wel de muskei „ van 't voorhoofd tot het denken zo voor„ treflyk gefield weezen , indien het been „ van het voorhoofd , over welke dezelve „ uitgebreidt is , niet juist deeze vlakte had, „ en aldus gewelfd ware ? Des beftemt de „ hoofdfchedel, door zyne figuur, d: gelegen„ heid der muskelen, en deeze beftemt 011„ middelyk de wyze of het vermogen van denken en gewaar worden."

11.

i, Aldus is het mede gelegen met de haai„ ren , uit welker partyen en derzelver ge„ legenheid onder elkander geredeneerd wordt. „ Van waar heeft de Moor zyn wolle haair? „ uit de dikte zyner huid , waarin, by de „ onophoudelyke uitwaasfeming , zich langs ., zo meer verfcheide deeltjes vestigen , die „ dezelven ondoorzigtig en zwart maaken. „ Het valt derhalven voor het haair moeije„ lyk door te dringen , en naauwelyks is „ 'er iets doorgedrongen , of het kroest reeds p en houdt op met wasfen. Het haair fchikt

zich

Sluiten