is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de physiognomie.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ACHTSTE

FRAGMENT.

m

VAN HET KARAKTER DER HANDSCHRIFTEN.

K an men her niet als een axioma over

de menfchelyke natuur aanneemen ? of is

het niet te boopen, dat men het, by meerdere navorfching der menfchelyke natuur , als een axioma aan zal neemen : *

„ In de menfchelyke natuur is geen waar „ contrast of geene tegenftrydigheid."

Dit is gewis: geen lid aan 's menfchen ligchaam wederfpreekt het andere. Geen maakt het andere onnut ; ieder is met ieder famenhangend ; ieder aan ieder ondergefchikt;

ieder wordt door eenen en denzelven

geest bewoogen ; ieder is van de natuur en het temperament des anderen, fchoon die temperament zich in het eene meer, dan in het andere toonen en uiten moge. Ondertusfehen heeft ieder lid aan den mensch het

karakter van het gantfche ligchaam. .

'Er is niets faraengeflanst in de natuur. Alleen-