Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELINGEN. i4%

„ Gy zult aan Scipio nooit tot flaavin verftrekken;

„ Myn vorstlyk woord,myn magt,zal voor dien hoon u dekken.

„ Getuigen zyn de Goón, met deezen heldenmoet,

„ Die 'k eisch dat u, voortaan, als myn vorftin begroet".

Toen vatte hy myn hand, en leidde my ten tempel,

Daar mirrhe en wierook werd geofferd op den drempel.

Genaderd aan 't altaar, vereende 's priesters hand,

In 't aanzien van de goön, ons door den huwlyksband.

Ik ftond dit zuchtend toe, uit vrees dat, zo ik 't weerde,

Hy, mooglyk, zyn befluit te my waards ook verkeerde;

En, in de plaats van my te kroonen als vorftin,

Hy my aan Scipio zou fchenken als flaavin.

Had ik dit niet gevreesd, 'k had eer den dood gedronken,;

Myn Syfax! dan myn hand een' andren vorst gefchonken.

Dit weet gy , Aftaroth, dit weet gy, groote goön !

Die ik, van kindsbeen af, te vieren ben gewoon.

Toen kwamen wy in 't heir, alwaar de Roomfche benden

En bondgenooten, reeds verheugd in onze ellenden,

Den vorst der Masfylicrs begroetten met gefchal,

Waarvan de galm driewerf gehoord werd door liet dal.

Een

Sluiten