is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloskunde.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 232 )

Over de w

ze om het hoofd in de vierde ligging af te haaien.

het een als in het ander geval beantwoord de meeste lengte van het bekkeneel aan eene en dezelfde fchuinsfche middenlijn van het bekken; een der ooren aan het regter eironde gat, en het ander aan de linker zkbecnfche uitranding: agter welk gat, en vóór welke uitranding de lepels der tang ingebragt moeten worden, om het hoofd behoorlijk te omvatten.

ij- 1777' Men moet dierhalven den fpildraagenden tak der tang, een weinig agterwaards,

2eter linker, en den fpilontvangenden , voorwaards, ter regterzijde van het bekken plaatfen : acht gevende, om, ook in dit geval, het buitenfte uiteinde der beide takken, na derzelver vereeniging, naar de linker dije der vrouwe te rigten, zoo als wij op 1774. hebben aanbevolen. Alvoorens men aanvangt om het hoofd af te haaien, moet men het voorhoofd, door hetzelve omtrent een zesde gedeelte van eenen kring, even als het agterhoofd in de voorige ligging, te doen befchrijven, onder dc fchaambeenderen brengen; waarna men op dezelfde wijze te werk gaat, zoo als bij gelegenheid van de tweede ligging der kruin aan de onderfte engte is aangewezen. (Ziet §. 1768).

1778. Men moet, in de ligging van het hoofd,waarover wij thans fpreeken, nimmer tragten om het aangezicht van het kind naar het heiligbeen te rigten: dewijl het aldaar niet koomen kan, zonder het een groot derde-deel van den inwendigen kring des bekkens te doen omtrekken, en deze beweeging niet kan gefchieden, dan door den hals van het kind

ee-