Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JONGEN ANACHARSIS. s?

gebeurenis, waaraan het lot zijns vaderlands hing, hoorde epaminondas , dat een zijner Bevelhebbers in zijne tent gerust ontflapen was, en riep daarop uit: „ Ach! goede Goden'. hoe heeft men in zulk eenen toeftand tijd om te fterven (O?"

„ Des anderen dags (*) werd deze (lag geleverd , die door de bekwaamheden van den The~ baanfchen Veldheer eeuwig in geheugen zal blijven. Cleombrotes had zich aan den rechter vleugel zijner dagorde geplaatst met de Lacedce~ monifche (2~)phalanx, gedekt door de ruiterij, welke de eerfte linie uitmaakte. Epaminondas , zich van de overwinning verzekerende, wanneer hij dezen geduchten vleugel kon omver werpen , befloot, zijnen eigen rechter vleugel aan den vijand te onttrekken en met zijnen linker aan te vallen. Derwaards liet hij zijne beste benden heenen trekken , fchaarde ze vijftig gelederen diep, en ftelde zijne ruiterij mede in de eerfte linie. Op dit gezicht veranderde cleombrotes zijne eerfte fchikking, maar in plaats van zijnen vleugel te verdiepen, breidde hij dien uit, om epaminondas te omcingelen. Geduurende deze beweging viel de Thebaanfche ruiterij op de

La-

(O P'ut. de San. tuend. t. 2, p, 136. (*) Den 8ften vaj Hooimaand van het jaar 371 voor J. C. (2) Xenoph. Hist Gr. L. 6. p. 596. Diod. Sic. L. 15, p. 370. Plut. in Pe lopid. p. 289. Arrian. taaie. p. 32. Edk. Amft. 1683. Folard. trait. de la colon. Ch. ie dans le prem. vol. de li trad. de Polijbe , p. 57,

BOOTOSTe

l.

Sluiten