Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JONGEN AN ACH ARSIS. 231

niet eenen geest zullen bezielen ; het hart zal zonder moeite plichten vervullen , het welk het zich zelf zal voorfchrijven , en, aan geene eigene belangen denkende, gaarne in alles medegevoelen, en door dit mede gevoel eigene fmarten verzacht, eigene genoegens verdubbeld vinden, terwijl alle zaaden van verdeeldheid zullen verflikt worden door het gezag der Opperhoofden , en alle geweld ge» kluisterd door de vrees voor eigene natuur» fchennis (O*

,, Deze onfchatbaare tederheid , die hun in den vrede zal bijeenhouden, zal met nieuwe kracht in den oorlog werken. Men plaatze in het veld eenen hoop jonge en volmoedige krijgsluiden (2) , zinds hunne eerfte jeugd aan den ftrijd gewend en overtuigd, dat eene laage daad hun vernederen zou , doch dat een dapper bedrijf hun ten top van eer zal voeren , wijl hun heldendood eenen altaar verdienen zal ; in dit oogenblik dringe hun de veelvermogende ftem des vaderlands in de ooren en roepe hun tot deszelfs verdeediging ; bij deze ftem voege zich de rouwklagt der vriendfchap, die hun van rij tot rij het gevaar hunner vrienden toontj om, eindelijk, in hunne zielen deallerhevigfte driften te verwekken, werpe men hun midden onder hunne vrouwen en kinderen , hunne vrouwen, welke naast hun ftrijden en door ftem en oogen hunnen moed lteunen,

hun-

(1) Plat. de rep. L. 5, p. 465. (2) ld. ibid. p. 471. P 4

HOOFnsT.LIV..

Sluiten