Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9* REIZE VAN DEN

HOOFDST.

LXIV.

leigeesten de aarde als mede de ruimte, waarvan zij onmiddellijk omgeven is. In de nabuurige kringen van het verblijf*, het geen Hij bewoont is alles goed , is alles orde, om dat de volmaaktfte wezens het naast bij zijnen throon geplaatst zijn , en blindeling aan hunne beftemming gehoorzaamen, ik wil zeggen , aan de^wetten , welken Hij zelfheeft vastgefteld (i). De wanorde begint zich te vertoonen in de tusfchenvakken; en het kwaad overheerscht ten vollen het goed (2) in het ondermaanfche, om dat aldaar de hef en het grondfap gezakt is van alle die zelfstandigheden , die door de vermenigvuldigde fchokken van den haat en de liefde niet tot haare volmaaktheid konden komen (3). Aldaar vloei'jen vier voornaame oorzaaken op onze daaden in ; God, onze wil, het noodlot en het geval (4); God, omdat hij voor ons zorgt (5;; onze wil, om dat wij' overleggen, eer wij hanaeien; het noodlot en geval (6) , omdat onze oogmerken dikwijls verijdeld worden door gebeurenisfen, die overeenkomkig of ichijnftrijdig zijn met de vastgestelde wetten.

„ Wij hebben twee zielen, eene zinlijke,

gro..

(O Bruck. hifi. phil. t. I. p. ioS^, (2) Ocell. Lucan c- *• (3) Anonijm. ap. Phot. p. i i5. (4) id. ibid. Bruck. hifi. phil. L. 1, p. 1084. C5) Diog. Laërt. L. 8 , §. 27. Aminon. ap. Bruck. t. 1, p. j 115. (6) Arift. de nar, aufcult. L. 2, c. 4> t. 1, p. 332 &c. Anonijm, ap. Phot. p. 1317.

Sluiten