Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TONGEN ANACHARSIS. &s3

<3e meeste van deze voorrechten niet van ons afhangen , en daar zelfs, bij derzelver vereenigd bezit, ons hart nog onvoldaan zou kunnen zijn, is het blijkbaar, dat zij niet wezenlijk die foort van geluk uitmaaken, welke aan ieder mensch in het bijzonder toekomt."

„ En waar in beftaat hetzelve dan, riep een van ons ongeduldig uit? Of wat is het lot der menfchen, indien zij, zoo zeer gedreeven, om het geluk naar te jagen, den weg niet kennen, dien zij moeten inflaan!" „ Helaas!

hervattede philocles , zij zijn wel beklagenswaardig , de ftervelingen. Slaat uwe oogen om u heenen. In alle plaatzen, in alle (landen zult gij zuchten hooren ; overal zult gij menfchen zien , door de behoefte , om gelukkig te zijn, en door de driften, die het hun beletten te worden, gemarteld; onrustig in hunne vermaaken , en niet bettand tegen de fmart; fchier even zeer door het genot, als door de berooving, nêerllagtig; onophoudlijk morrende tegen hunne beftemming , zonder een leeven te kunnen verlaten , wiens last hun ondragelijk is.

„ Is dan bet menschdom in wezen gebragt, om de aarde met ongeluk te bevolken, en zouden de Goden zich een wreed fpel maaken uit het vervolgen van zulke zwakke zielen ,

als

(plüTARCHüJ fpreekt van eenen Thesfalircken scopas .

die het geluk in den overvloed liet beftaan, in Cat.

t. s , jj. 346, e )

HOOTtVT. LXXV:i*.

Sluiten