Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 27 TWEEDE T O O N E E L.

BERMION É, ORESTES, KLEONÉ. HERMIONÉ.

Kan *t zyn dat noch, ö held! een overfchot van liefde U hier tot haar geleid, wie 't lot zó hevig griefde ? Of is het anders niet dan de infpraak van uw' pligt. Die u zó heilryk dringt, en voert vóór myn gezïgt ?

ORESTES.

Zó flaat de liefde my met wreede geestverblinding; En, ach ! Orestes lot, gy hebt deze ondervinding, Is dat hy u, wier fchoon door hem word aangebeên, Steeds volge, en altyd zweer' nooit vóór uw oog te treen. 'k Weet, door 11 aan te zien verèrgren myne wonden; Op ieder' tred tot u word fnood myn eed gefchonden : Ik weet dit, en ik bloos. Maar, by de hemelmagt, Getuige van het woên van myn barbaarsch gedacht, Verklaar ik dat ik fteeds naar 't wis verderf my wendde, Opdat ik my ontfloeg van ecden en elende. Ik bedelde om de dood by wreede volken, waar Den goön fiechts menfcbenb'ocd gewyd wierd op 't altaar: Die wreedaarts floten my hun templen, en betoonden Dat zy te vrek het bloed, door my verkwist, verfchoonden. Prinfes! ik nader u in 't einde; en myn verdriet Zoekt in uw oog een dood, die my alöm ontvlied. Dat onverfchillig oog moet' fiechts myn wanhoop kweken; 't Verbiede my, voor 't laatst, een hoop byna bezweken; Het zegge, opdat ik ftraks de dood moge ondergaan,

My

Sluiten