Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 ANDROMACHÉ,

Held Pirrhus, dien in 't eind' de glori weêr bcftiert, En die ten tweedemaal' van Troje zegeviert.

PIRRHUS.

Zeg eerder dat ik thans voor 't eerst heb overwonnen: Myn glori is alleen fints dezen dag begonnen; En myn gemoed, zó fier als 't was vcrflaafd, myn vrind l Waant dat het, in de liefde, een' vyands heir verwint. Befchouw, ö Fenixl wat al leeds ik mag ontwyken, Wat nafleep van elend' de liefde ons fteeds laat blyken: Wat vrinden, wat al pligts opofferde ik daaraan! Wat fïaatsftorm... Om een' lonk had ik het all' beffaan! 'k Zag all' de Grieken tot myn' val reeds faamgczworen, En om die trotfe vrouw ging ik met vreugd verloren.

FENIX.

Ja! 'k zegen thans, 6 vorst! haar wreedheid, die u doet Tc rug gaan...

PIRRHUS.

Ach! gy zaagt hoe zy my heeft ontmoet! Ik waande dat haar zoon, toen ik haar zag ontroeren, Voorzeker haar tct my ontwapend weêr zou voeren; lk hoopte een bly gevolg van hare omhelzing; maar 'k Wierd fiechts haar' tranenvloed en toorne en fpyt gewaar. Verbitterd door de elende, en woester dan te voren, Heeft zy wel honderdmaal my Hektors naam doen hooren. Ik toonde vruchteloos my voor haar' zoon gezind: „ 't Is Hektor!" riep zy uit, omarmend' ftaag haar kind; „ Zie daar zyn oog, zyn' mond, zyn fiere wezenstrekken! ,, Hy is 't! ö Dierbre gaê! 'k magu in hem ontdekken!" En wat vermeent zy toch ? of waant zy dat myn haat,

Tot

Sluiten