Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 ADELEIDA van WULFINGEN.

zende hij dezen ring, men zal zich hier door aan dit verbond der gastvrijheid herinneren, en hem in

mijne hutte huisvesten-, wanneer ik 'er weder

eene bewoone! Na een weinig flilzwijgens doch

fterk aangedaan. Vaar wel! ... .

theöbald. Hij zinkt in zijne armen.

Vaar wel, en wees mijn Vriend! . . .

mistivoi.

Dit beu ik. Uwe en mijn God zegene u. —-

Geloof mij, Jongeling ! mannen, gelijk wij zijn, zien eikanderen eens weder; het zij dan voor den troon van den jehovah,— of in de Hemelfche wooninge» van rade gast. — Hij vertrekt. ——

theöbald. — Leent zich droefgeestig aan een' boom.

Schaam u niet over deze traanen; laat dezelve hunnen vrijen loop. Dit . . . dit is der traanen van eenen Ridder ten vollen waardig. Welk eene deugd toch is 'er, die dezen Heiden ontbreekt? —

Ik ontroofde hem alles, en hij vergaf mij dit.

Bloos!., laagharte Christenen! bloos vrij!

dem onnik.

Edele Ridder! Wees op uwe hoede! De deugd der Heidenen is enkel klatergoud!

theöbald. — Gemelijk. — Laat mij flegts in rust: prevel uwe titanijen; zwai uw wijrook-vat; doch het geloof, aan de

mensen-

Sluiten