is toegevoegd aan uw favorieten.

[Adeleida van Wulfingen, een gedenkteken der woestheid uit de XIIIe eeuw.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADELEIDA van WULFINGEN. jfjj

pijnelijke aandoening verfchaffen. Kon het u derfialven wel onaangenaam wezen, dat mijn blik u naar deze zaal nodigde, om een gefprek van veel zagtef aart met u te houden?

adeleida. Hebt gij wel opgemerkt, hoe onze jongens met open monden op Ridder iiUGO Haarden, en hoe ik zelve bij wijlen den fpinrok in den fchoot vallen liet, wanneer hij op zulk een' leeveiïdige wijze verhaalde, hoe hij dezen bij den kop greep, en hoe de fabel van eenen anderen naaüwélijks eenhand breed boven zijn hoofd fnofde. Ik hoor graag zulk een verhaal van doorgeworftelde gevaaren ; vooral uit den mond van een befcheideti Ridder zeiven; laat mij hier door gaarne fchrik aanjagen; luistere, terwijl ik naauw durve adem haaien , met den grootften aandagt, en ben meer maaien met een luiden gil van mijnen ftoel opgevlogen, wanneer mijn ontgloeide verbeeldingskragt het vijandelijk ffaal boven zijnen fchedel nikkeren zag.

de abt.

Even als de kinderen, vvien men toverfpróokf>s vertelt.

adeleida.

En ik bén even gelukkig als deze.

de abt.

Dit ontvlamt alleen onze verbeelding en véröoïmm benaauwde droomen.

H