Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 37

Wier zwaarte 't misdryf nooit, als 't is gekroond, verplet.

herzilia, met verfchrikkingï Hoe! trotfe ! durft gy óók myn' vaders roem bevlekken ? Verdenkt gy hem van moord ? en durft gy 't my ontdekken ?

n u m a.

Wellicht bedroog ik my; maar, hoe 't ook wezen moog', Dees dag is die van rouw voor Numaas weenend oog: ° 'kTrachtnaargeen wraak, of bloed, maar'k moet me in tranen Gehuld met lykcypres, in fteê van mirthebladen; (baden, En wierd reeds voor myzelv' de houtmyt opgericht!

herzilia.

Onzinnig jongeling! wat al te zwaar gewigt

Van ramp beklemt u 't hart, en doet van 't fpoor u dwalen ?..

Maar ga, ik wil geenszins u in uw' wensch bepalen:

Stel vry ons echtfeest uit; vervul uw' lykpligt vry;

Vergiet een' tranenvloed; en denk daarna aan my:

Dan cisch ik dat ge ons heil niet meer zult wederflreven.

numa, ter zya'e. Wat zal ik, groote goön ! aan haar te kennen geven!

herzilia.

Welnu ! gy antwoord niet!

n u m a.

Ach! Tatius begeert...

herzilia.

Altoos dien gryzaarts naam, waarmee ge my braveert!

numa.

'k Bezwoer... Ik kan niet meer!

herzilia.

Vervolg!

C 3 N Hf

Sluiten